• Facebook Antwerpen
  • Facebook Gouda
  • Sint-Michielsgilde Antwerpen
  • Sint-Michielsgilde Gouda

© 2017 © Sint-Michielsgilde

Fraternitas Sanctus Michael – Sint-Michielsgilde VZW
Clemenshoek 87 , 2840 Rumst (Belgium) 

 KBO-nummer: 0627.923.164.

January 30, 2020

December 19, 2017

Please reload

Recent Posts

komt binnenkort

December 19, 2017

1/1
Please reload

Featured Posts

Becoming native

January 30, 2020

Dit artikel is een uiting van protest tegen het verwijderen van de triptieken uit de kathedraal van Antwerpen.

 

Het aanzicht van het interieur van de Onze-Lieve-Vrouwe kerk, ons weergegeven door Pieter II Neefs en Frans III Francken, staat in schril contrast met hoe wij hedendaags de kathedraal zien en ervaren.

 

Wanneer u kijkt naar het werk zal u hoogstwaarschijnlijk de ongelooflijke volheid van ruimte ervaren. Er is geen zee van houten stoelen die het middenschip laten verstarren. Integendeel, de bezoeker is genoopt tot mobiliteit. We zien bezoekers vooraan in gesprek met een priester. Iets verder zien we een groep knielend hun gebed richten naar mogelijk een patroonheilige.  In deze 16de eeuwse omgeving is de gelovige een dynamisch onderdeel binnen de sacrale ruimte.

 

Het is in het begin van deze 16e eeuw dat de Duitse schilder Albrecht Dürer voor een tijd in Antwerpen resideerde. Aan het einde van Wolstraat nabij de Carolus Bormomeuskerk kan u daar een herinnering aan zijn verblijf terugvinden. Een fragment uit zijn dagboek laat blijken dat hij eveneens één van die bezoekers was van de kathedraal.

 

 

“De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Antwerpen is zo enorm groot, dat men daarin veel missen tegelijk zingt, zonder dat de ene de andere hindert; en de altaren hebben kostbare stichtingen. De beste muzikanten die men kan krijgen, zijn hier geëngageerd. De kerk bezit vele devote diensten en steenwerk, een bijzonder fraaie toren.”

 

Let op de bijzondere wijze waarop hij hier zijn perceptie van de kerk verwoord. De kerk is zo groot dat men er tegelijk verscheidene missen zingt. De verbeelding van ruimte krijgt in de omschrijving van Dürer eerst een auditieve dimensie. Vervolgens beschrijft hij kort de veelheid in altaren die pralen met kostbare ornamenten.

 

De diverse aan heiligen toegewijde altaren aan de pilaren van het schip en de kappellen langsheen de kooromgang scheppen de sfeer van een pantheon. Dit pantheon werd beheerd door de talrijke broederschappen en gilden, wat een sterke verweving aantoont van het profane in het sacrale. Deze organisaties zorgden voor deze dynamiek door een harmonie van liturgische en para-liturgische praktijken. De broederschappen en gilden bezetten als het ware gebieden binnen de kerk die ze afbakenden door verscheidene kunstuitingen: retabels, ornamenten, gedecoreerde altaren, gekleurde ramen en prachtige schilderijen. Naast al deze fysieke uitingen mogen we de klanken en resonanties van gebeden, recitaties en mogelijke gezangen niet buiten beschouwing laten. Het staat buiten kijf dat de bezoekers van de kerk gevoelsmatig uitgenodigd werden tot participatie. Nihil sub sole novum. Niets nieuws onder zon. Geuren, kleuren, geluiden, … net als onze voorouders worden we op affectieve wijze aangetrokken door de prikkeling van onze zintuigen en inspelend op ervaring worden we een onderdeel van het religieuze spektakel, de ervaring van de schoonheid.

 

Deze altaren met bijhorende hoven zijn echter uit het zicht verdwenen. De diversiteit van zintuigelijke prikkels zijn vervangen door niet-inspirerende samenkomsten.  Het liturgische gezang is vervangen door een gecentraliseerde monoloog. Hieruit zou men kunnen concluderen dat de centrale ruimte niet geschikt is voor dit soort bijeenkomsten. Het stemvolume van de voorganger moet hiervoor ondersteund worden door menig versterker aan de zuilen. De aanwezigheid van de leegte is verstild door rijen van houten golven waarbij we nu zittend, soms wegdommelend, op passieve wijze “deelnemen” aan de eucharistie. De huidige museumbezoekers van de kathedraal kan daarentegen wel dolend doorheen de bezienswaardigheden als een 21e -eeuws equivalent van de bezoeker van weleer beschouwd worden. Maar zoals iedere vergelijking, gaat eveneens deze niet op. De context waarbinnen de bezoekers zich manoeuvreren is zo dusdanig onderheven geweest aan een intense kaalslag dat de perceptie louter sensorisch reeds een hemelsbreed verschil is. Dan spreken we nog niet over hoe de mens in een traditionele samenleving de werkelijkheid op een andere manier percipieert dan onze moderne geest.

 

De kaalslag is een gradueel proces veroorzaakt door de vernielzucht van de beeldenstorm, de interieurzuivering door de Calvinisten en de leegroof door het Frans revolutionaire bewind.

 

Zelfs nu op dit moment is er een nieuwe getolereerde roof gaande.

Tijdens de Franse revolutie werden talrijke schilderijen weggevoerd naar Parijs, anderen werden verkocht. Na het verlies van Frankrijk keerden sommigen werken terug naar de kathedraal, anderen kregen een plek in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen (KMSKA).

 

Voorafgaande op de restauratie van KMSKA werden er tien altaarstukken onder de naam “re*u*nie” vanaf 2009 geëxposeerd in hun haast oorspronkelijke hoedanigheid. Een meesterlijke tentoonstelling in al zijn aspecten waarbij de bezoeker dichter kwam bij die oorspronkelijke beleving van de kerk. Dichter bij die (boven)zintuigelijke beleving die voorheen verstomt was geraakt.

 

De verbouwingswerken in het KMSKA zijn echter afgerond. Wat impliceert dat de altaarstukken weerom ontrukt zullen worden uit hun oorspronkelijke context. Totaal ontworteld van hun essentie zullen ze niets anders zijn dan een fragment dat onverstaanbaar is aan de muren van het KMSKA. 

 

Eén van deze altaarstukken ligt mij, dan spreek ik namens de Sint Michielsgilde het schermersgilde van de stad, nauw aan het hart.  Met name ‘het gevecht van de opstandige engelen ’door de Brabantse kunstschilder Frans Floris. Dit kunstwerk, wat beschouwd kan worden als het opus magnum van de kunstenaar, werd gerealiseerd in opdracht van het schermersgilde. Wat hedendaags resteert is het middenpaneel van de triptiek dat ooit het altaar van het gilde sierde. Over de zijluiken is weinig geweten. Zij zijn vermoedelijk ten laatste in de 17de eeuw verdwenen. Mogelijk kan men aannemen dat de triptiek tijdens de beeldenstorm in 1566 ernstig beschadigd is geraakt. 

 

 

Het werk verbeeldt de strijd tussen engelen scharen van God en de horden van demonen geleid door de duivel. Een epische slag die vormgegeven is in intense kleuren en een adembenemende weelderigheid van kronkelende lichamen. Centraal staat onze patroonheilige de Aartsengel Michael die met zijn vlammende zwaard het Heilige beschermt tegen de leider van de rebellie, wiens bestiale kenmerken de verderfelijkheid benadrukt van de gevallenen. De engelen in strijd dragen de wapens van het gilde; langzwaard, rapier, hellebaard en dussack, wapens die wij na eeuwen nog steeds hanteren.

 

De terugkeer van de stukken naar de kathedraal hebben wij met vreugde ontvangen. Meer dan louter visuele pracht werd de gehele ruimte rondom het schilderij opgenomen in de gebruiken van onze broederschap. Onder andere onze jaarlijkse dodenminne (dodenherdenking) waarbij we op zinvolle wijze een oud gebruik van onze vormgeven. Hierbij vormt het kunstwerk een supra-historisch aanhechtingspunt dat zich kon verbaliseren door haar terugkeer in haar oorspronkelijke sacrale context. Het verloren woord door stomheid geslagen aan de museummuur, werd terug een ritueel object van waarde. Ik wil hierbij losjes de godsdienstwetenschapper Rudolf Otto parafraseren “de beleving van het mysterie komt tot uiting als we onze zintuigen en mede ons gevoel opengesteld wordt voor de indrukken van het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke”. Het re-integreren van deze altaarstukken in de kerkruimte fungeren als een rehabilitatie van verhalen, mythen en symbolen in onze levenssfeer. De aanschouwer kan hierdoor door het numineuze aangesproken worden.  Het is een herbezieling, een mogelijke eerste stap naar een terugkeer van die pure beleving van het geheimzinnige waarbij de bezoekers op alle lagen van hun menszijn aangesproken worden, zintuiglijk en emotioneel verleid worden om te participeren in deze ervaring van het transcendente in de kunstuitingen.

 

Graai toch niet opnieuw de kathedraal leeg. Opdat we als werkelijke natives ons kunnen laten leiden door klank, kleur en geur dolend langs de zuilen in de voetsporen van onze voorouders.

 

Geef ons de kans om terug natives te worden.

 

 

 

 

 

 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

I'm busy working on my blog posts. Watch this space!

Please reload

Search By Tags
Please reload

Archive